zoek zoeken:

Omgaan met sociaal emotionele problemen

Hyperactiviteit

Kinderen zijn speels en bewegen over het algemeen graag en veel. Een hyperactief of overbeweeglijk kind beweegt ook veel, maar meestal anders dan de andere kinderen. De handelingen zijn vaak doelloos en het lijkt alsof het kind weinig of geen beheersing heeft over het gedrag. Ze lopen bijvoorbeeld vaak van hun plaats, friemelen met hun handen en wippen op hun stoel. Dit kan tot gevolg hebben dat het werk van het kind er nadelig door wordt beïnvloed, maar ook dat andere kinderen in de klas gestoord worden door het gedrag. We spreken dan van hyperactiviteit of overbeweeglijkheid. Vaak is dit gedrag een gevolg van omgevingsfactoren: te denken valt bijvoorbeeld aan een veelheid aan prikkels.
Als het gedrag niet te verklaren is door omgevingsinvloeden of andere stoornissen en niet gebonden is aan bepaalde situaties kan er sprake zijn van ADHD en PDD-NOS. Kinderen kunnen ook hyperactief gedrag vertonen als gevolg van gevoelens van onzekerheid of onveiligheid vanwege een nieuwe situatie. Dit hyperactieve gedrag heeft echter meestal een tijdelijk karakter.

  1. Hoe kom ik achter de oorzaak van hyperactiviteit?
  2. Hoe ga ik in de klas met hyperactieve kinderen om?
  3. Wie betrek ik erbij?
  4. Hoe verantwoord ik mijn aanpak?


1. Hoe kom ik achter de oorzaak van hyperactiviteit?
De onderstaande tips kunnen in willekeurige volgorde gebruikt worden.

Loop vervolgens uw bevindingen na en ga na of er een oorzaak aan te wijzen is voor de hyperactiviteit van het kind.
Als de hyperactiviteit voortvloeit uit de omstandigheden (leerkrachtgedrag, onderwijsleersituatie) maak dan een plan van aanpak en schakel collega's in bij het veranderen van deze omstandigheden.
Als u vermoedt dat de oorzaak ligt in het kind, is het verstandig om hulp van deskundigen in te roepen.

Observeer het kind gedurende een periode aandachtig op basis van een voorlopige hypothese
Overbeweeglijkheid of hyperactiviteit wordt nogal eens (onterecht) aangeduid met ADHD (Attention Deficit Hyperactivity Disorder). ADHD bestaat echter uit drie gedragskenmerken, waarvan hyperactiviteit er een is. De overige gedragskenmerken zijn aandachts- of concentratieproblemen en impulsiviteit. Deze drie gedragskenmerken samen kunnen in verschillende gradaties voorkomen. Als het gedrag niet te verklaren is door omgevingsinvloeden of andere stoornissen en de verschijnselen zich voordoen in alle omstandigheden kan er sprake zijn van ADHD. De diagnose ADHD is echter lastig te stellen omdat de verschijnselen ook bij andere ziektes of stoornissen kunnen voorkomen. De diagnose mag dan ook alleen gesteld worden door een kinderarts of kinderpsychiater, maar ook een GZ-psycholoog mag dit vaststellen.
Een kind dat hyperactief of overbeweeglijk is kan veel verschillende symptomen vertonen, die meestal in combinatie voorkomen (voorbeeld 

).

Analyseer het pedagogisch klimaat en uw eigen rol daarbij
Niet alleen het kind, maar ook de omgeving speelt een rol bij overbeweeglijkheid. Kijk eens goed naar de inrichting van het klaslokaal. Vaak kunt u met enkele eenvoudige aanpassingen al rust creëren. Bijvoorbeeld door verschillende hoeken te maken waar kinderen kunnen spelen of werken of door spullen op te bergen in gesloten kasten in plaats van open kasten.
Ook de sfeer in de klas is belangrijk. Gebruik hiervoor ook de aanwijzingen "Wat is het belang van een goed sociaal-emotioneel klimaat en hoe kan ik dat verbeteren?" kijk op "Werken aan": Algemeen, paragraaf 6.
U als leerkracht maakt ook deel uit van de omgeving. U bent immers de spil in de klas. Stel uzelf de volgende vragen:

  • Laat ik door mijn gedrag zien dat er rust is?
    Het is belangrijk dat u zelf rust uitstraalt in aanwezigheid van de kinderen. Het is daarom aan te raden dat u uw bewegingspatroon aanpast, door niet teveel door de klas te lopen. Maar ook uw stemgebruik dient rustig te zijn. Praat niet te hard, niet te snel en niet te veel.
    Als u er niet zeker van bent of uw stemgebruik en bewegingspatroon bijdragen aan rust in de klas, kunt u een collega vragen een uurtje te observeren of een video-opname van uw eigen gedrag maken.
  • Hoe reageer ik zelf op de hyperactiviteit van het kind?
    Het is belangrijk dat u accepteert dat het kind hyperactief is. Met dreigen, zeuren of vleien bereikt u niets. Het kind kan daar zelfs faalangstig van worden, omdat het het gevoel krijgt dat het nooit iets goed doet. Het is beter om het kind positief te benaderen, te belonen en te stimuleren.

Het is belangrijk dat u het gedrag van het kind niet gaat negeren. Dat zou er toe kunnen leiden dat andere kinderen dit gedrag als voorbeeld gaan nemen.

Analyseer de onderwijsleersituatie
Bij het analyseren van de kenmerken van de onderwijsleersituatie zijn de volgende aspecten belangrijk:

  • Is er voldoende afwisseling tussen zit- en bewegingsactiviteiten?
    Hyperactieve kinderen hebben weinig tot geen controle over hun gedrag. Ze hebben het af en toe nodig om even uit het raam te kijken of even te bewegen. U kunt daar rekening mee houden door in het programma op bepaalde momenten activiteiten in te passen waarbij kinderen vrijelijk mogen bewegen.
  • Is in de les voldoende structuur aangebracht?
    Een duidelijke structuur in de les zorgt ervoor dat kinderen weten wat ze kunnen verwachten en zorgt voor zo min mogelijk afleiding. Gebruik hiervoor bijvoorbeeld dag- of weektaken. U kunt deze taken ook op het bord schrijven.
  • Zijn de opdrachten toegespitst op het kind?
    Voor hyperactieve kinderen is het belangrijk dat ze kleine en enkelvoudige opdrachten krijgen. Omdat ze zelf moeilijk structuur aan kunnen brengen is het belangrijk dat ze weten wat ze moeten doen, hoe het beoordeeld wordt en wanneer het af moet zijn.
  • Is er voldoende rust in de klas en de school?
    Hiermee wordt bijvoorbeeld bedoeld dat er weinig prikkels in de klas aanwezig zijn (rustige wand/raamversiering, gesloten kasten) of dat er geen kinderen of andere mensen over de gang rennen en praten tijdens de normale lessen. Ook duidelijke afspraken over wc-bezoek en het afschermen (door bijvoorbeeld gordijnen of kasten) van drukke straten of het speelplein dragen bij aan de rust.

Praat met ouders/verzorgers van het kind
Schenk aandacht aan bijvoorbeeld de volgende aspecten:

  • Hoe is de thuissituatie van het kind?
    Kinderen die thuis in een situatie wonen die veel onrust met zich meebrengt, zullen in de klas die onrust ook tentoonspreiden. Een onrustige situatie thuis kan bijvoorbeeld ontstaan door problemen met ouders, broertjes of zusjes of andere familieleden. Bijvoorbeeld als de ouders of verzorgers in een scheiding verwikkeld zijn, als er sprake is van een eenoudergezin, als de ouders/verzorgers regelmatig verkeren in het criminele circuit, of als een broertje of zusje gehandicapt is.
  • Hoe gedraagt het kind zich thuis?
    Wijkt het gedrag van het kind thuis af van het gedrag op school? Wat doet het kind zoal thuis? Wat vinden de ouders van het gedrag van het kind?
    Als het kind thuis niet hyperactief of overbeweeglijk is, ligt de oorzaak duidelijk in de onderwijsleersituatie. Als het kind thuis hetzelfde gedrag vertoont als op school, ligt de oorzaak ergens anders.
  • Heeft het kind lichamelijke problemen die een rol kunnen spelen?
    Bijvoorbeeld medicijngebruik of bepaalde stoornissen.

Als de hyperactiviteit voortkomt uit gevoelens van onzekerheid of onveiligheid op school, zijn de ouders belangrijke spelers in het informeren van het kind over wat naar school gaan daadwerkelijk betekent. Een fotoboekje over de school kan dan behulpzaam zijn om het kind duidelijk te maken wat hem of haar te wachten staat. 

2. Hoe ga ik in de klas met hyperactieve kinderen om?
U kunt op verschillende niveaus maatregelen nemen voor hyperactieve kinderen.
Regels

  • Maak een overzicht met daarop heldere duidelijke regels (niet teveel regels) en hanteer deze regels consequent.
  • Maak afspraken over wat er gebeurt bij overtreding van de regels.
  • Als er veranderingen in de dagelijkse routine plaats gaan vinden, kondig die dan tijdig aan.

Onderwijsleersituatie

  • Zorg dat het materiaal goed functioneert en volledig is.
  • Geef één opdracht per bladzijde. Zorg voor korte opdrachten.
  • Pas ook lichamelijke activiteiten in het lesrooster in.
  • Zorg voor aansprekend materiaal met contrasterende kleuren.
  • Gebruik verschillende werkvormen om de aandacht vast te houden.

Omgeving

  • Zorg voor voldoende bewegingsruimte tussen tafels of groepjes.
  • Plaats het kind niet bij een raam of deur, maar plaats het bij u in de buurt. Op die manier wordt het kind niet afgeleid door wat er buiten gebeurt of wie er binnenkomt. Bovendien kunt u het kind snel even aanspreken, zonder dat de hele klas dat doorheeft.
  • Beperk de hoeveelheid werkjes en posters in de klas en beperk het tot bepaalde ruimtes of delen van de klas. Eventueel kan dat ook buiten de klas zijn.

Een hyperactief of overbeweeglijk kind in de klas kan voor de leerkracht behoorlijk inspannend zijn. Het kan een idee zijn om met een collega af te spreken dat het kind af en toe even in zijn of haar groep mee mag draaien.

3. Wie betrek ik erbij?
Het kind bevindt zich een groot deel van de dag op school, maar ook een groot deel van de dag thuis. De activiteiten die u op school doet om de kinderen te leren omgaan met hyperactiviteit hebben weinig zin als ze thuis niet ondersteund worden. Het is daarom belangrijk om de ouders/verzorgers van uw bevindingen en activiteiten op de hoogte te stellen. Belangrijke punten daarbij zijn:

  • praat de ouders/verzorgers geen schuldgevoel aan,
  • wees begripvol naar de ouders,
  • praat ook over positieve eigenschappen die het kind heeft,
  • geef de ouders ook informatie over hyperactiviteit, zoek samen naar een oplossing.

Daarnaast kunnen de ouders/verzorgers zelf ook een bijdrage leveren aan de hyperactiviteit van hun kinderen. Bijvoorbeeld door ervoor te zorgen dat het kind thuis ook een duidelijk 'rooster' heeft. Denk hierbij aan vaste tijden voor bijvoorbeeld huiswerk maken, eten en naar bed gaan. Of dat het kind een sport gaat beoefenen, waarbij het vaak actief kan zijn.
Als er een gezamenlijk traject is opgezet, houd de ouders/verzorgers dan ook regelmatig op de hoogte van uw bevindingen en het resultaat van de activiteiten op school. Vraag de ouders ook naar hun bevindingen.
Speciale aandacht dient u hier te hebben voor kinderen met een multiculturele achtergrond. Het contact met ouders verloopt in die gevallen soms anders dan bij 'gewone' Nederlandse kinderen.

4. Hoe verantwoord ik mijn aanpak?
Maak vanaf het begin een rapportage van uw bevindingen en van de activiteiten die u en de ouders/verzorgers in hebben gesteld om te leren omgaan met de hyperactiviteit van het kind. Dat kan bijvoorbeeld door een logboek bij te houden, waarin u uw aanpak beschrijft en de mogelijke positieve en negatieve gevolgen van die aanpak. Op die manier kunt u na een bepaalde tijd ook constateren of er daadwerkelijk verbetering in de situatie is.
Zorg ervoor dat deze rapportage ook voor de ouders beschikbaar is.

Bijlagen: