ADHD
De manier waarop ADHD zich manifesteert kan van kind tot kind verschillen. Bij sommige kinderen staan aandacht- en concentratieproblemen op de voorgrond, terwijl bij anderen juist hyperactiviteit en impulsiviteit overheersen (bron: Protocollen in de jeugdzorg, 2000).
ADHD is een afkorting voor Attention Deficit/Hyperactivity Disorder, in het Nederlands: aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit.
ADHD is een van de meest voorkomende kinderpsychiatrische stoornissen. Het is een ernstige en duurzame stoornis van de psychische ontwikkeling als gevolg van een hoge mate van ongeconcentreerd, rusteloosheid en impulsief gedrag. De stoornis manifesteert zich per definitie voor het zevende levensjaar. Het totaal aantal gevallen van ADHD onder kinderen wordt geschat op 3-5%.
ADHD heeft per levensfase (kinderen, pubers, volwassenen) eigen kenmerken. Bij kinderen resulteren de rusteloosheid en concentratieproblemen vaak in leerproblemen; terwijl het impulsieve, soms prikkelbare gedrag vaak problemen op school en met vriendjes veroorzaakt.
Een kind met leer- of gedragsproblemen, dat druk en slecht geconcentreerd is, kan ADHD hebben. Dit hoeft echter niet in alle gevallen ook zo te zijn. Dit gedrag kan namelijk ook veroorzaakt worden door bijvoorbeeld de opvoedingssituatie thuis en op school. Tegenwoordig krijgen kinderen nogal eens te snel het label ADHD opgeplakt. Gevaar daarvan is dat ouders en leerkrachten hun eigen gedrag minder onder de loep gaan nemen. Terwijl te weinig tijd en aandacht voor het kind en het ontbreken van voldoende sturing en structuur een grote rol kunnen spelen in het ontstaan van druk gedrag bij kinderen.
Het werkelijke aantal kinderen met ADHD zou wel eens minder dan het geschatte aantal kunnen zijn.
Of een kind daadwerkelijk ADHD heeft, kan in de hersenen door een kinderneuroloog worden vastgesteld.
Daarnaast zijn er een aantal wetenschappelijke criteria die gelden voor ADHD bij kinderen.
Hieronder worden de criteria gegeven waaraan een kind moet voldoen wil er daadwerkelijk sprake zijn van ADHD.
1. Aanwezigheid van zes of meer van de volgende symptomen van aandachtstekort gedurende ten minste 6 maanden, in een mate die onaangepast is en niet past bij het ontwikkelingsniveau:
2. Aanwezigheid van zes of meer van de volgende symptomen van aandachtstekort gedurende ten minste 6 maanden, in een mate die onaangepast is en niet past bij het ontwikkelingsniveau:
3. Enkele symptomen van hyperactiviteit/impulsiviteit of onoplettendheid waren vóór het zevende levensjaar aanwezig.
4. Duidelijke aanwijzingen van significante beperkingen in het sociale- of schoolfunctioneren.
5. De symptomen komen niet uitsluitend voor in het beloop van een pervasieve ontwikkelingsstoornis, schizofrenie of een andere psychotische stoornis en zijn niet eerder toe te schrijven aan een andere psychische stoornis. (Bron: Jongleren , zomer 2002, pag. 22/23).
Het verschil tussen ADHD en PDD-NOS aan de hand van een voorbeeld
Als we sociaal gedrag nu eens vergelijken met fietsen...
Een kind met ADHD heeft, bij wijze van spreken, een fiets met een wiebelig stuur. Dat kind zet je wat langer dan andere kinderen bij jezelf achterop in het fietsstoeltje. Hij is immers een ramp voor zijn medeweggebruikers. Later laat je hem naast je fietsen. Je staat doodsangsten uit en raakt uitgeput van dat gewiebel naast je. Je stuurt dikwijls bij, je raakt wel eens in de knoop, maar je komt wel vooruit. Als hij uiteindelijk voelt hoe los zijn stuur zit, dan kan hij z'n best gaan doen om de rechte weg te volgen. Eerst zal hij nog wel moeten fietsen met steunwieltjes (gedragstherapie en medicatie), maar het zal hem steeds beter lukken z'n stuur in de hand te houden. Hij zal wel gebaat zijn bij paaltjes langs de weg die hem helpen herinneren: 'Oh, ja, ik zit te dicht bij de kant. Hup, weer even naar het midden'. Daarbij is het fijn als de medeweggebruikers niet steeds roepen: 'Kijk toch uit, sufferd, hou je stuur recht'. Het is prettig als ze hem bijvoorbeeld even op z'n stuur wijzen, of op de paaltjes langs de weg. Dan komt hij er wel. (Tenminste als er niet méér aan de fiets mankeert)
Een kind met PDD heeft een ander probleem. Hem hebben we ook lang bij ons zelf achterop gehad, omdat hij vaak zo bang was op de weg. Wordt hij voor het eerst op z'n eigen fiets gezet, dan weet hij niet wat hij doen moet. Het zweet breekt hem uit: 'Wat willen ze van me? Wat moet ik met dit ding?'
Hem zullen we moeten vertellen: 'Je pakt het stuur, zet je voet op de trapper, gaat op het zadel zitten, zet je voet op de andere trapper en beweeg om de beurt de trappers naar beneden. Met heel veel geduld en uitleg zul je hem uiteindelijk wel op de fiets krijgen. Maar het zal meer en meer blijken dat het voor hem erg moeilijk is. Het is ook de vraag of het ooit automatisch zal gaan.
Bij elke nieuwe weg zal hij erg onzeker zijn. We zullen hem moeten leren steeds op de borden te letten. Soms lijkt het of ook hij zo'n wiebelig stuur heeft, net als het kind met ADHD. Maar bij hem heeft dat wiebelen toch een andere oorzaak: op elke nieuwe weg vergeet hij weer hoe hij moet fietsen, en dan gaat hij ongemerkt slingeren. Maar op een bekende weg die hij graag fietst, heeft hij geen problemen met z'n stuur. Het kan dus best zo zijn dat hij leert fietsen. Maar op nieuwe wegen zal er in veel gevallen iemand naast hem moeten gaan fietsen. Of hij zal mee moeten op de tandem. Later kan hij dan misschien voorop de tandem plaatsnemen, waarbij de persoon achterop blijft meedenken (hulp-ik) en af en toe aan de rem trekt.
Bron: Rutger jan van der Gaag en Arga Paternotte