Een gesloten of sociaal angstig kind is in de regel een makkelijk kind in de klas. Daarom zijn we geneigd om er minder aandacht aan te besteden.
Een gesloten of sociaal angstig kind is echter niet goed in staat om zijn eigen behoeften, wensen en belangen door middel van persoonlijke en sociale contacten kenbaar te maken. Daardoor heeft het kind weinig sociale contacten met als gevolg dat het kan vervreemden van zijn omgeving en in een sociaal isolement terecht komt. De sociale ontwikkeling van het kind is in gevaar.
Geslotenheid komt echter ook vaak voor als gevolg van gevoelens van onzekerheid of onveiligheid vanwege een nieuwe situatie. Bijvoorbeeld bij kinderen die uit een andere cultuur komen. Dit 'gesloten' gedrag heeft echter meestal een tijdelijk karakter.
1. Hoe kom ik achter de oorzaak van geslotenheid, sociale angst of sociaal isolement?
Je observeert altijd eerst voor je andere stappen onderneemt.
Loop vervolgens uw bevindingen na en ga na of er een oorzaak aan te wijzen is voor de geslotenheid, sociale angst of het sociaal isolement van het kind. Als u geen oorzaak kunt aangeven, is het verstandig om hulp van deskundigen in te roepen.
Observeer het kind gedurende een periode aandachtig op basis van een voorlopige hypothese
Kinderen die gesloten of sociaal angstig zijn, vermijden situaties waarin omgegaan moet worden met andere kinderen. Veel gedragssymptomen van deze kinderen lijken op de symptomen van faalangst. Symptomen kunnen zowel lichamelijk
als psychisch
zijn en komen meestal in combinatie voor.
Het is verstandig om het kind te observeren in allerlei verschillende situaties op school. Bijvoorbeeld tijdens de lessen, op de speelplaats, tijdens de gymles, bij momenten van vrij werken. Bepaal in welke situatie het gedrag het meest naar voren komt.
Van allochtone kinderen is bijvoorbeeld bekend dat hun sociale angst vaak gebonden is aan de taalgroep waar men in verkeert; in hun eigen taalgroep kennen ze geen angst, maar daarbuiten wel.
Analyseer het pedagogisch klimaat en uw eigen rol daarbij
Niet alleen het kind, maar ook de omgeving speelt een rol bij geslotenheid van kinderen. U als leerkracht maakt daar ook deel van uit. U bent immers de spil in de klas.
Stel uzelf de volgende vragen:
Analyseer de onderwijsleersituatie
De onderwijsleersituatie kan zodanig zijn dat kinderen zich onveilig en eenzaam voelen. We hebben het dan zowel over de situatie in de klas en de situatie op school. Bij het analyseren van de kenmerken van de onderwijsleersituatie zijn de volgende aspecten belangrijk:
Praat met ouders/verzorgers van het kind
Schenk aandacht aan bijvoorbeeld de volgende aspecten:
Als de geslotenheid voortkomt uit gevoelens van onzekerheid of onveiligheid op school, zijn de ouders belangrijke spelers in het informeren over wat naar school gaan daadwerkelijk betekent. Een fotoboekje over de school kan dan behulpzaam zijn om het kind duidelijk te maken wat hem of haar te wachten staat.
Geslotenheid door gebrekkige taalvaardigheid is uiteraard gebaat bij beter of meer taalonderwijs.
Bepaal de oorzaak van de geslotenheid, sociale angst of sociaal isolement
Loop uw bevindingen na en ga na of er een oorzaak aan te wijzen is voor de geslotenheid, sociale angst of het sociaal isolement van het kind. Als u geen oorzaak kunt aangeven, is het verstandig om hulp van deskundigen in te roepen.
De oorzaak kan bijvoorbeeld liggen in:
2. Hoe ga ik in de klas met gesloten of sociaal angstige kinderen om?
Opmerking vooraf
Bij het omgaan met gesloten of sociaal angstige kinderen vragen kinderen uit andere culturen speciale aandacht. Bekend is dat in veel andere culturen andere normen gelden ten aanzien van het omgaan met gezag en mondigheid. Dat heeft gevolgen voor het gedrag van deze kinderen in een Nederlandse klas. Voor de leerkracht betekent dat, dat juist deze kinderen extra aandacht nodig hebben, omdat zij zich een plaats moeten veroveren in de Nederlandse samenleving.
Het uitspelen van gevoelens
In een teambespreking van het project 'De vreedzame school' (een samenwerkingsproject van het SAC te Utrecht en SLO te Enschede) deed zich het volgende voor.
In het kader van het project was aan leraren uit de onderbouw gevraagd om activiteiten uit te voeren met de kinderen rondom 'gevoelens'. Het gaat daarbij om herkenning, benoeming, inschatten van gevoelens bij andere kinderen en het omgaan met eigen en andermans gevoelens. Een van de voorgestelde werkvormen is het uitspelen van gevoelens.
Een leraar vertelt dat een meisje aangaf verdrietig te zijn als haar moeder haar slaat. Er ontstond discussie in de groep: hoe schat je in of iets méér is dan 'de pedagogische tik', of je als leraar wel of niet hierover met de moeder in kwestie moet praten, maar ook 'hoe reageer ik als leraar op dat moment'.
Toch verder gaan met uitspelen? Kinderen slaan elkaar en binnen dat spel vinden ze dit slaan in ieder geval vrij normaal. Maar zo'n spel kun je toch niet organiseren?
We stellen het volgende voor:
Wat de interactie met het kind betreft:
Vraag het kind om het hele verhaal te vertellen. Dus: wat gebeurde er toen, en toen, wat deed jij, wat deed mamma, wat gebeurde er daarna? De bedoeling van zo'n gesprekje is om 'de klap' uit het isolement te halen, om het één moment in een serie van handelingen te laten zijn. Door over de hele context te praten kan het kind zichzelf een plaats in het geheel geven, het kan over dat geheel denken en over dat geheel voelen. Misschien kan duidelijk worden dat het zelf ook een aandeel had in de escalatie (gooide bijvoorbeeld keihard iets door de kamer, of schopte broertje of zusje). Door de hele sequentie van handelen in de gaten te krijgen wordt het kind weer een beetje meester over die vervelende, verdrietige en ook pijnlijke situatie. Belangrijk is ook het moment na de klap. Was er een mogelijkheid om het weer goed te maken? Hoe zou je het kunnen goedmaken?
Slaan komt dus niet uit de lucht vallen, er is een begin en een einde. Krijgt een kind vat op dit hele verhaal, dan zal het emotioneel weerbaarder zijn.
Als leraar bevestig je de pijngevoelens, maar je helpt het kind ook om de hele situatie (opnieuw) te structureren en het kind gedragspatronen aan te reiken.
Wil je daarvoor of daarna de situatie uitspelen dan kan dat prima. Maar je speelt dan het hele verhaal. Op het moment dat de klap gaat vallen 'bevries' je het spel en verwoord je wat er gebeurde. Dan vervolg je het verhaal: wat gebeurde er of, wat zou je nu kunnen doen. Dat gedrag en die emoties worden dan weer uitgespeeld.
Dit betekent voor het kind:
3. Wie betrek ik erbij?
De activiteiten die u op school doet om de kinderen te leren minder gesloten of sociaal angstig te zijn, hebben weinig zin als ze thuis niet ondersteund worden. Het is daarom belangrijk om de ouders/verzorgers van uw bevindingen en activiteiten op de hoogte te stellen. Belangrijke punten daarbij zijn:
Daarnaast kunnen de ouders/verzorgers zelf ook een bijdrage leveren aan het leren minder gesloten of sociaal angstig te worden. Bijvoorbeeld door ervoor te zorgen dat er een veilig en zeker klimaat thuis is en dat het kind thuis ook positief gestimuleerd wordt om contacten met andere kinderen aan te gaan.
Als er een gezamenlijk traject is opgezet, houd de ouders/verzorgers dan ook regelmatig op de hoogte van uw bevindingen en het resultaat van de activiteiten op school. Vraag de ouders/verzorgers ook naar hun bevindingen.
Speciale aandacht dient u hier te hebben voor kinderen met een multiculturele achtergrond. Het contact met ouders/verzorgers verloopt in die gevallen soms anders dan bij 'gewone' Nederlandse kinderen.
4. Hoe verantwoord ik mijn aanpak?
Maak vanaf het begin een rapportage van uw bevindingen en van de activiteiten die u doet om te leren omgaan met het gesloten en angstige gedrag van het kind. Dat kan bijvoorbeeld door een logboek bij te houden, waarin u uw aanpak beschrijft en de mogelijke positieve en negatieve gevolgen van die aanpak. Op die manier kunt u na een bepaalde tijd ook constateren of er daadwerkelijk verbetering in de situatie is.
Zorg ervoor dat deze rapportage ook voor de ouders/verzorgers beschikbaar is.