Mishandeling komt in veel vormen en in alle lagen van de bevolking voor. De mishandeling gebeurt vaak binnen het gezin, maar soms ook op school.
Belangrijk aspect bij mishandeling is de machtsverhouding tussen de pleger en het kind. Deze verhouding is zodanig dat het kind niet zo makkelijk 'Blijf van me af' of 'Hou daarmee op' zegt. Het kind is bang voor de mogelijke gevolgen daarvan. Bijvoorbeeld om afgestoten, buitengesloten, uitgelachen of benadeeld te worden.
Meestal zijn de daders bekenden van het kind en daarom zal het kind ook niet zelf over de mishandeling beginnen. Het signaleren van mishandeling komt daarom voor een groot deel neer op de leerkracht. (Situatieschets: Nadia) 





Naast zelf slachtoffer te zijn van genoemde vormen van mishandeling zijn kinderen ook vaak getuige van geweld dat zich thuis afspeelt, tussen ouders, of tussen andere gezinsleden. Voor een deel van de kinderen heeft dit ernstige nadelige gevolgen met problemen die vergelijkbaar zijn met de gevolgen van mishandeling.
(Bewerkt naar de website van NIZW: www.nizw.nl en naar Relaties en seksualiteit. K. Houterman. SLO, 1996)
2. Hoe kom ik erachter of er sprake is van mishandeling of misbruik?
Er zijn tientallen signalen die kunnen wijzen op kindermishandeling. Deze signalen komen vaak in combinatie voor. Het is dus niet zo dat een of enkele van deze signalen automatisch verwijzen naar het feit dat het kind mishandeld wordt. U dient zeker verder onderzoek te (laten) doen.
Doe dit nooit alleen. Vraag een collega om advies voordat je met het kind gaat praten. Schrijf voor jezelf op waarom je denkt dat het kind mishandeld wordt. Vraag eventueel informatie aan bij het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling.
Observeer het kind gedurende een periode aandachtig
.
.
.
Als u het vermoeden hebt dat een kind mishandeld wordt, leg uw bevindingen dan voor aan collega's, de directie en de vertrouwenspersoon op school. Houd wel rekening met de privacy van het kind en het gezin. Treed vervolgens als het nodig is, in contact met externe hulpverleners. Blijf de ontwikkeling van het kind in de tussentijd gewoon volgen en steunen.
(Bewerkt naar de website van Klasse: www.klasse.be )
Probeer het kind aan de praat te krijgen
Opmerking vooraf
Praten over seksualiteit wordt sterk beïnvloed door de waarden en normen die kinderen van huis uit meekrijgen.
Kinderen die het slachtoffer zijn van mishandeling en misbruik zullen dat zelden zelf aan u vertellen. Ze durven dat niet uit angst voor represailles van degenen die hen dat aandoen. Ze zwijgen uit schaamte of omdat ze zichzelf schuldig voelen. Soms speelt solidariteit een rol: de vrees dat de dader in de gevangenis zal belanden. Het is daarom belangrijk zo omzichtig mogelijk te werk te gaan. (Tips die u daarbij kunt gebruiken.)
Probeer met meer directe vragen de situatie duidelijk te krijgen
Pas als de sfeer veilig is, kunt u meer directe vragen stellen: 'Raakt iemand je wel eens aan op een manier die je niet prettig vindt?'. Bij kinderen met een andere culturele achtergrond dan de Nederlandse, dient u er op bedacht te zijn dat het in die culturen taboe kan zijn om over seksualiteit te praten. Bovendien kan het in opspraak raken door seksueel gedrag, het ergste zijn dat jou en je familie kan overkomen.
Als uw vermoeden door het kind bevestigd wordt, kunt u niet met één gesprek volstaan:
Als u zeker bent van uw zaak meld dat dan bij het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK) bij u in de regio en vraag daar om advies.
Probeer het al wat oudere kind ervan te overtuigen dat het hulp nodig heeft. Het zou bijvoorbeeld contact kunnen zoeken met de Kindertelefoon. Verder zijn er op internet speciale sites waar kinderen hun verhaal kwijt kunnen ( http://www.kindermishandeling.nl of http://www.kindertelefoon.nl ).
Praat eventueel met ouders/verzorgers van het kind
Bij een vermoeden van mishandeling of seksueel misbruik kan een gesprek met de ouders/verzorgers plaatsvinden. Zo'n gesprek is lastig, maar vaak wel noodzakelijk om voldoende gegevens te verzamelen. Het is misschien verstandig dit gesprek eventueel op school te laten plaatsvinden samen met een collega.
3. Hoe ga ik om met kinderen die mishandeld of misbruikt worden?
Hieronder staat een overzicht van de stappen die u kunt ondernemen als er (mogelijk) sprake is van mishandeling of seksueel misbruik van een kind.
Er is sprake van mishandeling buiten de school.
Er is een vermoeden van mishandeling buiten de school.
Elke regio heeft een Advies- en Meldpunt Kindermishandeling. Voor adressen van deze AMK's kunt u terecht op de site http://www.kindermishandeling.info. U kunt de AMK's ook bereiken via het landelijke telefoonnummer 0900-1231230.
Er is sprake van of een vermoeden van mishandeling in de school.
Bij het vermoeden van een zedenmisdrijf in de school ten opzichte van een leerling is het bevoegd gezag van de school wettelijk verplicht onmiddellijk te overleggen met de vertrouwensinspecteur. Dit overleg heeft tot doel te bepalen of het nodig is aangifte te doen bij de politie of justitie of om te kiezen voor een andere afhandeling.
De vertrouwensinspecteur fungeert als aanspreekpunt en adviseur om te bewerkstelligen dat met de grootst mogelijke zorgvuldigheid wordt gehandeld.
De namen en adressen van de vertrouwensinspecteurs staan op de website van de inspectie van het onderwijs: http://www.onderwijsinspectie.nl/.
4. Hoe vergroot ik de weerbaarheid van kinderen?
U kunt de kinderen bewust maken van de problematiek door bijvoorbeeld te praten over kinderrechten en mishandeling. Belangrijk daarbij is dat de kinderen leren waar de grenzen in gedrag liggen en hoe ze respect voor elkaar kunnen opbrengen.
De volgende grondregels kunt u hierbij gebruiken:
Lessuggesties voor:
Stimuleer de weerbaarheid van kinderen ook door gebruik te maken van de lessuggesties uit: Hoe kan ik in de les aandacht besteden aan het bevorderen van het zelfvertrouwen en de sociale weerbaarheid?, kijk op "Werken aan": Zelfvertrouwen en weerbaarheid.
5. Hoe verantwoord ik mijn aanpak?
Maak vanaf het begin een rapportage van uw bevindingen en van de activiteiten die u (en de ouders/verzorgers) in hebben gesteld om het kind (en de ouders/verzorgers) te helpen.
Dat kan bijvoorbeeld door een logboek bij te houden, waarin u uw aanpak beschrijft en de mogelijke positieve en negatieve gevolgen van die aanpak. Op die manier kunt u na een bepaalde tijd ook constateren of er daadwerkelijk verbetering in de situatie is.
Zorg ervoor dat deze rapportage ook voor de ouders/verzorgers en hulpverlening beschikbaar is.