Luister naar het kind op een rustige plaats. Maak duidelijk dat het kind u kan vertrouwen en dat u open staat voor een gesprek. Neem hiervoor de tijd.
Zorg voor een vertrouwelijke en gemoedelijke sfeer als basis voor het gesprek. Begin over koetjes en kalfjes en breng geleidelijk het gesprek op het beoogde onderwerp. Toon daarbij uw eigen ongerustheid.
Neem het verhaal van het kind serieus. Vertel het kind dat u het verhaal gelooft en dat het niet de schuld van het kind is. Laat het kind merken dat u het moedig vindt dat het u in vertrouwen neemt.
Neem een neutrale houding aan. De dingen die het kind u vertelt kunnen grote emoties bij u teweegbrengen. Blijf rustig, beschuldig niemand en maak het kind duidelijk dat het niet zijn/haar schuld is.
Overleg met het kind wat de volgende stappen zullen zijn. Vertel het kind dat u geen stappen zult ondernemen zonder het kind daarin te betrekken. Beloof geen geheimhouding. Dat kunt u niet waarmaken.
Blijf het kind steunen. Geef aan dat er meer kinderen zijn die dit meemaken en dat hulp mogelijk is. Het is belangrijk dat de omgeving van het kind hulp blijft bieden.