zoek zoeken:

Werken aan een positief sociaal emotioneel klimaat

Vragenlijst 'Analyseer uw eigen rol hierbij'

Het is een misverstand ervan uit te gaan dat een goede groepssfeer te danken is aan de leerkrachten en dat een slechte sfeer te wijten is aan een paar etterbakken in de groep. Er is altijd sprake van een samenspel met de leerkrachten in de rol van spelverdeler. Dat betekent dat leerkrachten het meeste gewicht in de schaal leggen. Ook als het percentage aandachttrekkers, ruziezoekers en dwarsliggers tot onwaarschijnlijke hoogten stijgt, bepalen de leerkrachten hoe ze daar mee omgaan. En die keuze is sfeerbepalend, namelijk sfeerverbeterend of sfeerbedervend.
Leerkrachten met een positieve basisinstelling blijken een gunstige uitwerking op de groepssfeer te hebben:

  • ze leggen verhoudingsgewijs meer nadruk op de vorderingen van kinderen dan op hun tekortkomingen;
  • ze tonen vertrouwen in de ontwikkeling van kinderen: hoge maar niet onrealistische verwachtingen stimuleren het zelfvertrouwen van kinderen;
  • ze gaan uit van de goede bedoelingen van kinderen totdat het tegendeel blijkt.

Leerkrachten die zichzelf vooral als ordehandhaver zien en voortdurend bedacht zijn op kinderen die de rust verstoren, zijn vaak star in hun optreden en dragen zo ongewild bij aan het ontstaan van een gespannen sfeer in de klas.

Zelfanalyse
Te veel programmadruk maakt je gehaast en ongeduldig. Onverwachte gebeurtenissen ervaar je vooral als storend en doen een aanslag op je incasseringsvermogen. De spanning in de klas neemt toe en de kans dat kinderen problemen gaan veroorzaken eveneens.
Werken aan sfeerverbetering omvat daarom ook kijken naar de belangrijkste sfeerbepaler van de klas: jezelf. Zit je als leerkracht goed in je vel? Kun je je werk aan? Laat je je misschien gek maken door CITO-toets of door overvragende, onredelijke ouders.

Zelfanalyse

  1. Heb ik het naar mijn zin op school?
  2. Voel ik me onder druk staan van het schoolprogramma, ouders, schoolleiding en/of collega's?
  3. Stel ik me flexibel op in de klas of moet altijd het programma dat ik in mijn hoofd heb, worden uitgevoerd?
  4. Zijn er kinderen voor wie ik eigenlijk een beetje bang ben?
  5. Spreid ik mijn aandacht evenwichtig over alle kinderen?
  6. Hoe zijn mijn werkrelaties met collega's?
  7. Hoe is mijn werkrelatie met de schoolleiding?
  8. Hoe vind ik de sfeer in het team?
  9. Hoe zijn de contacten met ouders?
  10. Voel ik me een professional (= iemand die het vak verstaat en hoge kwaliteit levert)?
  11. Komen mijn sterke punten voldoende tot hun recht in mijn werk?
  12. Gebruik ik de mogelijkheden om me verder te ontwikkelen?
    (Looy, e.a., 1998)