Maak gebruik van opdrachten waarin de kinderen de volgende vragen beantwoorden:
Wanneer was je boos, verdrietig of juist blij? Wanneer was je verlegen of onhandig? Wanneer ben je flink en durf je iets wel en wanneer juist niet? Hoe kun je weten hoe iemand zich voelt? Hoe weten anderen hoe jij je voelt? Waaraan kun je dat zien of horen? Hoe kun je dat vragen? Hoe kun je iemand blij of juist boos maken?
Elkaars gezichten lezen
Splits de groep op in twee ongeveer even grote groepen, die tegenover elkaar zitten. Terwijl de ene groep zo goed mogelijk bepaalde emoties of situaties probeert uit te beelden, kijken de kinderen van de andere groep aandachtig toe. Zij mogen na afloop vertellen wat ze hebben gezien. Vervolgens worden de rollen omgedraaid.
Voorbeelden van emoties zijn: iets engs zien, iets proeven dat je lekker vindt, je stoten aan iets, je vervelen, iets niet begrijpen, etc. Stel tijdens en na afloop de volgende vragen:
Variant
Vraag de kinderen ook eens uw gezicht te lezen en te raden, welke gevoelens u uitbeeldt.
Denkverhalen
Denkverhalen bevatten vragen die de kinderen aan het denken zetten. Voor het beantwoorden van de vragen is het nodig, dat de kinderen goed luisteren en zich proberen in te leven in de situatie van de figuren die in het verhaal voorkomen.
Voorbeeld van een denkverhaal
Imke staat op het trottoir. Ze kijkt aandachtig naar het rode mannetje van het verkeerslicht aan de overkant van de straat. Het is een drukke straat. Auto's zoeven voorbij. Plotseling is het rode mannetje weg. Er is een groen mannetje voor in de plaats gekomen. 'Nu mag ik oversteken', denkt Imke. Als ze midden op de zebra loopt, hoort ze vlak naast zich gierende banden.
Imke is ontzettend hard geschrokken. De auto staat half op het zebrapad. Vlak voor haar.
Imke voelt haar hart bonzen van de schrik. Ze kijkt met grote ogen naar de auto. Achter de voorruit ziet ze de bleke gezichten van een man en een vrouw.
Enz.