Maak gebruik van opdrachten waarin de kinderen de volgende vragen beantwoorden:
Hoe voel je je als je iemand verliest die veel voor je betekent (door verhuizing, dood, ruzie en dergelijke)? Wie kan je helpen? Wat kun je doen om dat verdriet beter aan te kunnen? Wie kun je in vertrouwen nemen als je een vervelend geheim hebt, ergens heel erg bang voor bent of als iemand je pijn probeert te doen?
Hoe kun je rekening houden met anderen? Wat kun je doen als je jaloers bent? Hoe kun je gevoelens uiten? Helpt het als je je gevoelens uit? Wanneer voel je je verlegen, onzeker, eenzaam, in de steek gelaten? Wat kun je daar aan doen? Hoe kun je anderen helpen die daar last van hebben?
Heb jij dat ook wel eens?
De kinderen zitten in een kring. U vertelt iets van uzelf, dat u laatst of als kind meemaakte. Het verhaal eindigt met de vraag: 'Hebben jullie dat ook wel eens?'
De vraag kan eerst in het algemeen worden gesteld. Sommige kinderen voelen zich over de drempel geholpen als u hen de vraag nog eens persoonlijk stelt: '(naam), heb jij dat ook wel eens (gehad)?' Bij het nabespreken, kunt u gebruik maken van de bovenstaande vragen (afhankelijk van de situatie).
Varianten
Voorbeeldsituaties
Verlegen
Vroeger was ik soms verlegen. Niet altijd hoor. Thuis bijvoorbeeld niet. Wel als ik bijvoorbeeld bij een vriendje thuis mocht eten. In winkels was ik ook vaak verlegen. Vooral als het druk was bij de slager. Als ze me dan iets vroegen, kreeg ik het er soms warm van. Ik voelde dan, dat ik een rood hoofd kreeg. Soms begon ik te stotteren. Ook durfde ik de mensen bijna niet aan te kijken.
Tandarts
Ik ben doodsbang voor de tandarts. Eigenlijk schaam ik me er een beetje voor, want de tandarts doet me nooit erg pijn. Vooral het boren vind ik vreselijk. Ik houd me dan stevig vast aan de stoel, alsof ik bang ben dat ik eruit zal vallen. Het zweet staat dan in mijn handen. Ik wil slikken als het eigenlijk niet kan en ik staar met grote ogen naar het plafond.
Doodgaan
Toen ik zo oud was als jullie, dacht ik vaak aan doodgaan. Ik was zo bang, dat mijn ouders gauw dood zouden gaan. Ik kon er soms helemaal niet van in slaap komen. Dan voelde ik me heel rottig. Ook dacht ik vaak aan wat er met iemand gebeurt, als hij doodgaat. Ik wilde er eigenlijk niet aan denken, maar ik kon het gewoon niet laten.