zoek zoeken:

Werken aan een positief sociaal emotioneel klimaat

Lessuggesties groep 1-2

Maak gebruik van opdrachten waarin de kinderen de volgende vragen beantwoorden:
Hoe voelt ... zich? Hoe weet je dat? Waar zie je dat aan?
Hoe kun je aan iemand merken dat hij/zij blij (boos, verdrietig, bang) is? Hoe weet je dat? Waar zie je dat aan?
Laat eens zien hoe iemand zich voelt die blij (boos, verdrietig, bang) is.
Hoe komt het dat ... zich blij (boos, verdrietig, bang) voelt?
Ben jij wel eens blij (boos, verdrietig, bang) geweest? Wanneer? Wat was er gebeurd? Hoe kwam dat?
Wanneer ben je soms blij (boos, verdrietig, bang)? Wanneer soms niet? Is dat altijd hetzelfde? Wat is verschillend, wat is hetzelfde?
Is dat bij iedereen hetzelfde? Voelt iedereen hetzelfde?
Is ... net zo blij (boos, verdrietig, bang) als ... ? Waarom denk je dat? Laat iedereen dat op dezelfde manier blijken? Wat is verschillend, wat is hetzelfde?

Kleine bever (emotionele, motivationele rolneming)
Als voorbeeld een aantal vragen bij het prentenboek: 'Kleine bever en de echo' van E. McDonald en S. Fox-Davies. In dit verhaal spelen gevoelens als verdriet en alleen zijn een rol, maar ook blijdschap en geluk.
Kleine bever heeft geen broertjes en zusjes en voelt zich heel alleen. Hij woont aan de rand van de vijver en is verdrietig… hij voelt zich zo verdrietig dat hij begint te huilen. Opeens hoort hij aan de overkant ook iemand huilen. Hij denkt dat hij waarschijnlijk niet de enige is die zich verdrietig voelt en besluit de ander op te zoeken. Op zijn reis komt hij allerlei andere dieren tegen, die hem vergezellen op zijn zoektocht. Iedereen helpt de kleine bever zoeken, maar ze vinden niets. Dan komen ze er achter dat de bever zichzelf hoorde, toen hij huilde: er was geen ander dier dat had gehuild, het was zijn echo!!! De zoektocht lijkt tevergeefs te zijn... of toch niet? Uiteindelijk heeft kleine bever zoveel vriendjes leren kennen dat hij zich niet langer alleen en verdrietig voelt, maar blij en gelukkig.
De onderstaande voorbeeldvragen kunnen met een kleine aanpassing worden gebruikt bij andere prentenboeken of in andere situaties:

  • Hoe voelt kleine bever zich in het begin van het verhaal? Laat als geheugensteuntje de plaat zien die bij het begin hoort.
  • Hoe weet je dat?
  • Hoe voelde kleine bever zich aan het einde van het verhaal? Laat ook hier weer even de bijbehorende plaat zien.
  • We hebben gezien dat kleine bever eerst verdrietig was (toen hij alleen was) en later blij (toen hij heel veel vriendjes had). Hoe kun je je nog meer voelen? (Boos, bang, blij, ...)
  • Hoe kun je zien dat iemand bijvoorbeeld verdrietig is?
  • Kun je zelf eens laten zien hoe iemand kijkt die ... (boos, blij, bang, verdrietig) is?
  • Of: Laat een kind een gevoel uitbeelden en laat de anderen raden welk gevoel het kind uitbeeld.

Maar ook tal van andere prentenboeken komen hiervoor in aanmerking, zoals Trompet voor Olifant van Max Velthuijs (Leopold, Amsterdam, 1995) of Mauwtje van Rascal & Sophie (Van Goor/de Boekerij BV, Amsterdam, 1994).
We maken wel de opmerking dat het niet voor alle kinderen gebruikelijk is om zich te verplaatsen of in te leven in dieren, om op die manier gevoelens, waarden en normen te laten doorgeven.

Op de kijkstoel (zintuiglijke rolneming)
Een kind zit op een stoel ergens in de klas en kijkt recht voor zich uit. De andere kinderen mogen zeggen, wat het eerste kind ziet. Het kind dat op de stoel zit, zegt telkens of het klopt. Vervolgens wordt de kijkstoel verplaatst en gaat er een ander kind opzitten.