zoek zoeken:

Werken aan een positief sociaal emotioneel klimaat

Lessuggesties groep 3-4

Maak gebruik van opdrachten waarin de kinderen de volgende vragen beantwoorden:
Waarom doet ? zo? Waarom gedraagt hij/zij zich op deze manier? Hoe voelt ? zich?
Als jij ? was, hoe zou jij je dan voelen?
Als ? blij (boos, verdrietig, bang) is, wat kun je dan doen/zeggen? Hoe kun je ? helpen?
Heb je dat wel eens meegemaakt? Hoe ging dat dan?
In situaties: Als ? jouw vriendinnetje wil zijn, wat doe je dan?
Wat denk je dat ? wil? Denk je dat hij je echt pijn wilde doen? Of was het een ongelukje?

Rollenspel
Laat twee of drie kinderen een rollenspel uitspelen. Alleen de spelende kinderen weten hoe het verhaal verloopt. Stel na afloop aan de andere kinderen vragen als: Wat is er gebeurd? Wat doet ?? Waarom? Kun je je voorstellen dat ? zo doet/reageert? Wat zou je zelf doen? Hoe kunnen ze het oplossen?

Als jij ? was, wat zou jij dan doen?
U kunt gebruik maken van de onderstaande situaties, maar u kunt uiteraard ook zelf situaties bedenken of inspelen op situaties zoals die zich voordoen in de klas.

  1. Twee kinderen zijn aan het spelen met de zandtafel, het derde kind wil meedoen, maar dat mag niet van de andere twee. Het derde kind loopt verdrietig weg of wordt boos en trekt een van de kinderen aan de haren of begint te huilen.
  2. Een kind is jarig, maar zij denkt dat iedereen haar verjaardag vergeet. Het kind is heel verdrietig. Het blijkt dat haar vader en moeder een feestje voor haar hebben georganiseerd, daar wist ze niets van.
  3. Een kind is samen met zijn ouders in een winkel. Plotseling is hij zijn vader en moeder kwijt. Het kind begint te huilen.
  4. Een kind is zijn lievelingsknuffel verloren. Hij is verdrietig, want het kan niet zonder die ene knuffel.

Denkverhalen
Denkverhalen bevatten vragen die de kinderen aan het denken zetten. Voor het beantwoorden van de vragen is het nodig, dat de kinderen goed luisteren en zich proberen in te leven in de situatie van de figuren die in het verhaal voorkomen. Als blijkt dat kinderen, als gevolg van een beperkte taalvaardigheid, moeite hebben met de bijbehorende beeldvorming, kunt u het verhaal ondersteunen met plaatjes, foto's of tekeningen.

Voorbeeld van een denkverhaal
Imke staat op het trottoir. Ze kijkt aandachtig naar het rode mannetje van het verkeerslicht aan de overkant van de straat. Het is een drukke straat. Auto's zoeven voorbij.

  • Waarom kijkt Imke naar het rode mannetje?

Plotseling is het rode mannetje weg. Er is een groen mannetje voor in de plaats gekomen. 'Nu mag ik oversteken', denkt Imke.
Als ze midden op de zebra loopt, hoort ze vlak naast zich gierende banden.

  • Zou Imke daarvan schrikken, denk je?

Imke is ontzettend hard geschrokken. De auto staat half op het zebrapad. Vlak voor haar.

  • Waaraan kan Imke merken dat ze hard geschrokken is?
  • Zou jij ook zo geschrokken zijn?

Imke voelt haar hart bonzen van de schrik. Ze kijkt met grote ogen naar de auto. Achter de voorruit ziet ze de bleke gezichten van een man en een vrouw.

  • Waarom hebben de man en de vrouw in de auto bleke gezichten?

De meneer en mevrouw zijn ook erg geschrokken. Ze waren zo druk met elkaar aan het praten dat ze even niet op het verkeer letten. De mevrouw glimlacht naar Imke.

  • Waarom glimlacht de mevrouw?

Ze wil Imke laten merken, dat ze het vervelend vindt, dat Imke zo geschrokken is. Imke rent gauw naar de overkant van de weg.

  • Waarom holt Imke?

Als Imke aan de overkant is, voelt ze zich weer veilig. Even later is ze thuis. 'Is er iets gebeurd?', vraagt haar moeder.

  • Waarom denkt Imkes moeder, dat er iets met haar is gebeurd?

Imke vertelt van de auto. Haar moeder kijkt heel boos.

  • Waarom kijkt ze boos?

'Wat dom van die mevrouw', zegt Imkes moeder. 'Je had wel een ongeluk kunnen krijgen'. Dan vraagt ze: 'Zal ik een lekker glaasje limonade voor je halen?'. Nou, dat lust Imke wel. Even later is ze de auto helemaal vergeten.