Lessuggesties groep 7-8
Maak gebruik van opdrachten waarin de kinderen de volgende vragen beantwoorden:
Als jij … was, hoe zou jij je dan voelen?
Als … jaloers (blij, boos, afkerig, angstig, ellendig) is, wat kun je dan doen/zeggen? Wat kun je doen om te helpen?
Heb je dat wel eens meegemaakt? Hoe ging dat dan?
Telefoneren
Twee kinderen gaan een telefoongesprek met elkaar voeren. Eerst wordt het ene kind geïnstrueerd, terwijl het andere kind even op de gang staat. Daarna krijgt het andere kind instructies en staat het reeds geïnstrueerde kind even op de gang. Door deze procedure wordt de telefoonwerkelijkheid dicht benaderd en voelt de rest van de klas zich in het complot betrokken. Daardoor zullen ook de luisteraars nieuwsgierig zijn naar wat het gesprek zal opleveren.
U kunt gebruik maken van situaties als de volgende:
- Jij heet meneer Boonstra. Je bent de meester van Cheryl. Je vindt dat Cheryl gisteren en vandaag heel erg stil is. Je vraagt je af wat er aan de hand is. Daarom bel je op.
- Jij heet Cheryl. Je hebt eergisteren een domme actie op school uitgehaald, want je hebt samen met Jeff met een stift op een wandtekening in school zitten kliederen. De meester wilde weten wie het gedaan had en jij hebt niets gezegd. Niemand had jullie ook gezien. Bovendien vindt je Jeff ook wel een hele leuke jongen en hij zegt dat je niets moet zeggen. Maar de meester gaat de hele klas straf gegeven als morgen zich niemand meldt.
- Jij heet Nick. Je bent in het geheim verliefd op een meisje in je klas. Ze heet Samira. Je belt haar met een smoesje op.
- Jij heet Samira. Je bent in het geheim verliefd op een jongen in je klas. Hij heet Nick. Je droomt zelfs van hem. Je wacht op een telefoontje van je beste vriendin. Misschien ga je het aan haar vertellen. Zij zal het vast niet verder vertellen.
- Jij heet Rachid. Je hebt een week geleden een paar ontzettend gave nikes gekocht bij de sportzaak op het winkelcentrum. Vandaag is echter de zool van je linkerschoen los gegaan. Dat is wel heel snel, vind je. Je belt op naar de zaak om het te melden en te vragen of je een paar nieuwe schoenen kunt krijgen.
- Jij heet meneer Peters. Je bent de bedrijfsleider van de sportzaak in het winkelcentrum. Het gaat niet zo goed met je zaak. Bovendien is er net een nieuwe lading vracht binnengekomen die je in je eentje moet verwerken.
- Je heet Michelle. Je hebt vanmiddag op school een grote ruzie gehad met Jenny, een meisje uit je klas. Ze heeft je uitgescholden en je rugzak in de zandbak gegooid. Nu zit er allemaal zand in. Toen je thuiskwam zag je ook dat het beeldje, dat je vandaag van je vriendje had gekregen, en dat je in je rugzak had gestopt, gebroken is. Dat vind je heel erg. Je belt haar op om haar dat te vertellen.
- Je heet Jennifer. Je wordt straks opgebeld door iemand die je helemaal niet kent. Zeker iemand die een verkeerd nummer heeft gedraaid.
Besteed, indien nodig, ook aandacht aan het begin en het eind van het telefoongesprek: hoe meld je je, hoe stel je je voor en hoe sluit je het gesprek af met een onbekende of met vrienden?
Bij het nabespreken van de gesprekken, kunnen de volgende vragen worden gesteld:
- Wat denk je dat … voelt?
- Wat kun je doen/zeggen?
- Wat zou … hebben willen bereiken?
- Hoe zou jij je voelen?
- Wat zou jij hebben gedaan/hebben gezegd?
- Heb je zoiets wel eens meegemaakt?