Maak gebruik van opdrachten waarin kinderen de volgende vragen beantwoorden:
Hoe denk je over mensen die anders zijn dan jij of die je niet goed kent? Hoe anders zijn ze en waarin zijn ze gelijk? Wordt het beeld dat je van anderen hebt soms ook bepaald door vooroordelen en hoe ontstaan die? Hoe kun je dat beeld eerlijker maken?
Gedraag je je hetzelfde tegenover je vader moeder, juf, meester, broer, zus, enzovoort? Hoe komt dat en wat vind je daar van? Gedragen meisjes zich in bepaalde situaties anders dan jongens? Wat vind je daar van? Is dat overal zo?
Brieven
Leg kinderen stukjes tekst voor uit 'kinderbrieven.' In deze stukjes tekst staat de mening van een kind over een bepaald onderwerp verwoord. Neem vooral voorbeelden die wijzen op verschillen tussen mensen, bijvoorbeeld: jongens en meisjes, verschillende etnische of sociale achtergronden.
Neem in ieder geval een situatie waarvan u weet dat het de kinderen zal aanspreken. Bijvoorbeeld:
Uitschelden
'Ik ben kwaad en verdrietig omdat ik op straat altijd wordt uitgescholden voor brillie. Ik kan er toch niets aan doen dat ik een bril heb. Ik vind dat je iemand niet moet uitschelden om hoe hij eruit ziet. Ik zou nooit iemand uitschelden alleen omdat hij er anders uit ziet.' Hadassah (10 jaar, Haarlem)
Moeder
'Mijn moeder is echt heel stom! Als mijn vriendinnetjes er zijn, doet ze altijd heel gek en dan gaat ze zingen als ze aan het stofzuigen is en soms probeert ze mee te doen als we aan het oefenen zijn voor balletles.' Anna (9 jaar, Den Haag)
Pesten
Ik zit in groep 4. Een kind die ook in die klas zat kon heel goed pesten. Toen we op de speelplaats waren, vroeg hij of hij mee mocht doen. Dat mocht van mij. Toen was hij de tikker, maar hij zei dat hij hem niet was. Ik zat op de schutting en hij trok mij er zo van af en gaf me een schop. Nou wat zegt de juf? Niemand mag op de schutting.' Fadime, (7 jaar, Geldrop)
Laat de kinderen naar aanleiding van de inhoud van het stukje tekst opschrijven wat zij ervan vinden. Eerst een Ik-vind-zin (of Bij-ons-thuis-zin) en vervolgens een Want-zin.
De kinderen kunnen zowel zelfstandig als in groepjes werken. Gebruik bij het nagesprek de bovenstaande vragen.