zoek zoeken:

Werken aan een positief sociaal emotioneel klimaat

Aandachtspunten bij het aanleren van sociale vaardigheden in allochtone groepen

De etnische afkomst van kinderen bepaalt in sterke mate het sociale gedrag van het kind. Op vier manieren kunnen culturele verschillen doorwerken in het aanleren van sociale vaardigheden (uit: Interculturele vaardigheden op de basisschool):

1. Individuele oriëntatie versus groepsoriëntatie
Centraal staat de vraag of mensen hun denken, gevoelens en gedrag laten leiden door de groep of door individuele doelen. Collectivistische culturen zijn bijvoorbeeld Turkije, Marokko en Aziatische landen als Indonesië en Japan. In deze culturen staat het voldoen aan groepswaarden, zoals groepsverantwoordelijkheid, coöperatie, harmonie in de groep, groepssfeer centraal. Voorbeelden van individualistische culturen zijn westerse landen waaronder Nederland en de Verenigde Staten. In deze culturen staan zelfontplooiing en assertiviteit centraal.
Een kind dat gewend is om zich te gedragen naar wat de groep verlangt, kan moeite hebben met het programma om het eigen gedrag via individueel gerichte instructies te ontwikkelen. Een eigen mening vormen en geven kan dan lastig zijn. Het kan dan een oplossing zijn om kinderen met dezelfde culturele achtergrond samen een oefening te laten doen.
In een klas met veel kinderen uit hetzelfde land, kan het zinvol zijn om een groepsopdracht als werkvorm te hanteren (situatieschets Bezoek 

).

2. Directe versus een indirecte manier van omgaan met conflicten
In individualistische culturen is er sprake van een confronterende manier van omgaan met conflicten in tegenstelling tot een indirecte manier in een collectivistische cultuur. Iemand openlijk bekritiseren is een aantasting van collectieve, normatieve regels en uit den boze. Het betekent eerverlies voor beide partijen.
Bij het leren omgaan met conflicten is het belangrijk dat er niet alleen directe oplossingen aangeleerd worden om op een verbaal assertieve wijze problemen aan te pakken. Soms is het goed om 'nee' te zeggen, als je het er niet mee eens bent of om 'erop af te gaan en actief informatie te verkrijgen'. Kinderen met een collectivistische culturele achtergrond zullen geneigd zijn, zich meer afwachtend op te stellen. Er zijn vele verbale en non-verbale manieren om 'ja', 'nee' of 'misschien' te zeggen. Ook meer indirecte strategieën zoals informatie zoeken, kijken hoe een ander met een probleem omgaat, sociaal vergelijken, steun zoeken bij een ander of naar de juf gaan bij een ruzie, kunnen positief werken (situatieschets Speelkwartier 

).

3. Directe versus een indirecte manier van expressie van emoties en gedachten
In Nederland bestaat waardering voor het uiten van positieve en negatieve gedachten en gevoelens. We beschouwen dat als sociaal vaardig gedrag. We noemen dit een directe communicatiestijl.
De indirecte communicatiestijl, refereert aan verbale boodschappen die de ware wensen en behoeften verhullend weergeven. De betekenis van de boodschap kan alleen begrepen worden binnen de context van de boodschap. Een antwoord als 'ja' en een glimlach erbij van een Indonesisch of Turks kind lijkt instemming te betekenen. In de praktijk betekent het echter niet meer dan 'Ik heb je gehoord'.
Individualistische landen kennen een schuldcultuur: als je je niet houdt aan de regels voel je je schuldig. Collectivistische landen kennen een schaamtecultuur. Overtreden van regels tast de eer van de groep aan. Schaamte is sociaal van aard en schuld is iets individueels.
Belangrijk hierbij is dat kinderen zowel verbaal als non-verbaal hun emoties kunnen uiten. De expressie van emoties verschilt namelijk per cultuur. Dat kinderen dezelfde taal spreken, betekent overigens niet dat er sprake is van dezelfde cultuur. Ook binnen culturen met dezelfde taal zijn er vele verschillen in subculturen. Om het begrip voor kinderen met een andere culturele achtergrond te verhogen, kun je bijvoorbeeld gebaren laten zien uit andere landen en de bijbehorende betekenissen. Kennismaken en groeten bijvoorbeeld kan op veel verschillende manieren (situatieschets Kennismaken 

).

4. Gelijkwaardige versus hiërarchische relaties
In Nederland wordt een kind gezien als een individu met een eigen mening en keuzemogelijkheden. Daardoor is de vraag in hoeverre zij ouders of een leerkracht beschouwen als autoriteit of als iemand aan wie ze kritische vragen mogen stellen.
In collectivistisch georiënteerde landen wordt het sociale gedrag van het kind bepaald door gehoorzaamheid aan ouders en leerkrachten. Op school luister je naar de leerkracht en stel je je niet te kritisch op. Bij het aanleren van sociale vaardigheden is het daarom van belang om de status en de rol te onderkennen die het kind aan de leerkracht of de ouders toekent.