zoek zoeken:

Werken aan een positief sociaal emotioneel klimaat

Lessuggesties groep 3-4

  1. Hoe ben jij geboren?  
  2. Vriendschap en houden van
  3. Prettige en niet-prettige aanrakingen 

1. Hoe ben jij geboren?
De kinderen zijn bij deze activiteit bezig met vragen rond zwangerschap en geboorte.
Deze activiteit is vooral bruikbaar als een van de kinderen een broertje of zusje gaat krijgen, of als een leerkracht zwanger is. In die situaties komen kinderen vaak met allerlei vragen over zwangerschap en geboorte.
Materiaal:

  • Meegebrachte foto's van zwangere vrouwen.
  • Rietjes om te drinken.
  • Enkele kartonnen kokertjes van wc-rollen. 

Gesprek: Jij in de buik
Laat de kinderen foto's van hun moeder of van een andere vrouw meenemen toen ze zwanger was. In sommige culturen wordt het maken van een foto van een zwangere vrouw afgeraden. Het zou niet goed zijn. Houdt hier rekening mee. Het betekent dat niet iedereen zo'n foto mee hoeft te nemen.
Op de meegebrachte foto's zijn buiken in verschillende maten te zien. Stel vragen als:

  • Duurde het nog lang of kort voordat de baby geboren werd?
  • Waaraan kun je dat zien?
  • Als de baby nog maar heel klein is, kun je dan al iets aan de buik van de moeder zien?

Instructie: Hoe komt een baby in de buik?
Vertel de kinderen de volgende informatie over de bevruchting in moeders buik:
Er kan een baby groeien als een eicel (een heel klein eitje) en een zaadcel (een heel klein zaadje) bij elkaar komen. Een vrouw heeft een eicel in haar buik. En de man heeft zaadcellen in zijn piemel. Hoe kunnen die eicel en zaadcel dan bij elkaar komen? Dat gebeurt als ze met elkaar vrijen. Als twee mensen van elkaar houden, gaan ze vrijen met elkaar. Ze kleden zich uit en gaan bloot tegen elkaar aan liggen. De piemel van de man gaat dan in het gaatje van de vrouw. Dan komen er zaadcellen uit de piemel. Die zwemmen naar de eicel. De eicel zit in de buik van de vrouw. Als de zaadcel bij de eicel komt kan er een baby uit groeien.



Het duurt nog een hele tijd voordat een baby genoeg gegroeid is om geboren te worden. In het begin is hij nog zo klein als een korreltje suiker. Maar daarna gaat het steeds groter groeien. Eerst heeft hij alleen nog maar een hoofdje, een hartje en een rug. Later krijgt hij ook benen, armen, voeten en handjes. Maar hij is nog steeds heel klein. Een baby krijgt te eten en te drinken door de navelstreng. Dat is een slangetje dat naar zijn buik gaat. Het eten komt dus meteen in zijn buik. Hij kan nog niet met zijn mond eten en drinken.
Als de baby nog maar heel klein is, is ook al te zien of het een jongetje of een meisje wordt. Een baby in de buik kan al op zijn duim zuigen, kopje duikelen. Soms gaat hij ook een beetje slapen. Zijn hartje klopt en de dokter luistert daar soms naar met een soort toeter.
De baby hoort ook veel geluiden door de buik heen. En al die tijd blijft hij maar groeien. Hij begon zo klein (wijs het aan met uw vingers) en na negen maanden is de baby in de buik al zo groot gegroeid (= ongeveer 55 cm). Laat de kinderen duidelijk zien hoe groot dat is. Dan is hij genoeg gegroeid en kan geboren worden. 

Gesprek: Wat kan de baby in de buik?
Stel de kinderen vragen over wat een baby in de buik al kan en doet. Vragen:

  • Hoe eet en drinkt de baby?

Antwoord: Via de navelstreng. Laat kinderen met een rietje drinken, een navelstreng is ook een soort zacht rietje.

  • Wat doet de baby in de buik?

Antwoord: Kopje duikelen, op zijn duim zuigen, met de armen en benen bewegen en schoppen, slikken en met zijn ogen knipperen.
Laat de kinderen als een baby kopje duikelen, op hun duim zuigen, met hun armen en benen schoppen, slikken en met de ogen knipperen.
Het hartje van de baby klopt en dat kun je soms door de buikwand horen. Hoe is het om een hartje te horen kloppen. Laat de kinderen bij elkaar luisteren naar elkaars hart. Ze kunnen met hun oor tegen de borstkas van een ander kind luisteren. Ze kunnen ook het kartonnen rolletje van een wc-rol gebruiken om te luisteren.

Instructie: Hoe ben je geboren?
Vraag aan de kinderen of ze weten hoe ze geboren zijn. Geef ze eerst de gelegenheid elkaar te vertellen wat ze al weten over de geboorte. En laat hen dan op elkaars verhalen reageren.
Vertel dan dat de meeste baby's door de vagina van de moeder geboren worden. Eerst heeft ze pijn in haar buik, dat zijn weeën, die zorgen ervoor dat de baby zachtjes naar buiten wordt geduwd. Een moeder moet dan hard drukken, persen heet dat. Dan komt de baby na uren op de wereld. Eerst komt het hoofdje door de vagina van de moeder naar buiten, daarna de schouders en dan de rest.
Sommige baby's worden door een keizersnee geboren. Dan maakt de dokter een opening in de buik van de moeder en haalt de baby door deze opening uit de buik. Niet elke baby wordt even gemakkelijk geboren. Soms wordt een baby veel te vroeg geboren, dan is hij nog niet genoeg gegroeid. Hij moet dan verder groeien in een couveuse. Dat is een glazen bak waarin het lekker warm is, een soort namaakbuik.
Het gebeurt ook wel eens dat er een gehandicapt kindje wordt geboren. Dat is een kindje dat later misschien niet zo goed kan lopen, of zien, of horen, of niet op dezelfde manier kan denken als jullie.
De kinderen kunnen thuis vragen hoe zij zijn geboren.

Doe-activiteit
Vraag de kinderen een babyfoto van thuis mee te nemen. Liefst een foto van zo kort mogelijk na de geboorte. Hang de babyfoto's op in de klas.
Vraag de kinderen ook iets mee te nemen van thuis dat van hen was toen ze nog een baby waren. Bijvoorbeeld: de eerste knuffel, een speen, het eerste babyhemdje, babysokjes, een rammelaar, enzovoort. De voorwerpen kunnen opgehangen worden bij de baby-foto van elk kind.

Prentenboeken
Kunnen papa's ook kindjes krijgen? Sylvia Schneider/ Clara Suetens, Deltas, 2003.
Een baby'tje op komst. William Sears e.a., Deltas, 2003.
Waar kom ik vandaan? Peter Gayle, Tirion, 1987. Bij dit boek is ook een video beschikbaar.
De baby uit de bloemkool. Detty Verreydt, Lannoo, 2003.
Geboren worden. Lennart Nillson, Ploegsma, 1991.
Hallo baby. Carry Slee, Van Holkema & Warendorf, 1992.
Ik vind jou lief. Sanderijn van der Doef, Ploegsma, 1997.
Wat heb jij daar op je buik? Jutta Langreuter en Andrea Hebrock, Cyclone, 2000.
(Uit: Relaties & seksualiteit)

2. Vriendschap en houden van
Bij deze activiteit verkennen de kinderen begrippen als vriendschap en houden van. Hierbij gaat het vooral om de invulling die de kinderen hieraan geven en het belang van dit soort relaties.

Gesprek: Vriendjes en vriendinnetjes
De kinderen zitten in de kring. Vertel over uzelf. Vertel over iemand die u lief/aardig vindt en waarom. Of lees een stukje voor uit een boek waar vriendschap een belangrijke rol speelt, bijvoorbeeld 'Jip en Janneke' van Annie M.G. Schmidt. Nodig daarna de kinderen uit om hetzelfde te doen. Besteed ook aandacht aan verschillen tussen vriendschap met een jongen of met een meisje.
Vragen:

  • Waarom vind je iemand lief/aardig?
  • Waarom is iemand je vriend?
  • Vertel eens wat meer over je vriend.
  • Waarom vind je je vriendje lief/aardig?
  • Wat vindt je vriendje lief/aardig aan jou?
  • Wat doen jullie samen het liefst?
  • Wanneer is je vriendje niet aardig?
  • Wat doe je met een jongensvriendje en wat doe je met een meisjesvriendje? 

Gesprek: Familierelaties en het gevoel van houden van
Ga met de kinderen na welke relaties belangrijk voor ze zijn. Bijvoorbeeld: familieleden als vader, moeder, broer, zus, opa en oma. Vragen die hierbij gesteld kunnen worden zijn:

  • Van welke mensen hou je veel?
  • Waarom vind je je vader, moeder, broer, of zus lief/aardig?
  • Is dat ook wel eens anders?
  • Wat betekenen deze mensen voor je?
  • Wat beteken jij voor hen?
  • Wat doe je samen en wat is leuk samen?
  • Waar kun je elkaar mee helpen?
  • Wie brengt je weg of haalt je op?
  • Wie zorgt voor je of past op je? 

Prentenboeken
Aller-allerbeste vrienden. Doortje Hanning, Leopold, 2000.
Argus. Detty Verheydt en Tine Vercruysse, De Eenhoorn, 2001.
Ik vind jou lief. Sanderijn van der Doef, Ploegsma, 1997.
Kikker en pad zijn vrienden. Arnold Lobol, Ploegsma, 1997.
Kikker is verliefd. Max Velthuijs, Leopold, 1990.
Raad eens hoeveel ik van je hou? Sam McBratney en Anita Jeram, Lemniscaat, 1998.
Oh, oh, wat een vriend!, Vera de Backker, Zwijsen, 1993.
(Uit: Relaties & seksualiteit)

3. Prettige en niet prettige aanrakingen
Bij deze activiteit zijn de kinderen actief bezig met ervaringen, gevoelens en mogelijke reacties rond verschillende vormen van aanraken en aangeraakt worden.
Materiaal:

  • Blinddoek

Drama
Alle kinderen zitten in de kring. Beeld telkens samen met een kind een van de onderstaande situaties uit. Neem zelf de rol van de volwassene of het kind dat het initiatief neemt. Laat de medespeler hierop reageren. Niet alle kinderen durven mee te doen, zeker niet in het begin. Forceer geen deelname. Stel na afloop vragen over de gespeelde situatie:
Situaties:

  • Je helpt oma in de keuken met het klaarmaken van een toetje. Het wordt een feestelijk toetje. Oma is er erg over tevreden en knijpt je in de wang.
  • Je zit samen met je moeder op het strand van een ijsje te genieten. Het is een heerlijk dagje uit. Je moeder kietelt je op je rug.
  • Je gaat met de tram mee. Het is druk. Je kunt niet naast je moeder zitten. Er is nog een zitplaats achter je moeder vrij. Je zit naast een meneer. Na een tijdje legt die man een hand op je been.
  • Je komt op school en vertelt aan je vriendje dat jullie hond heel erg ziek is. Je vriendje slaat een arm om je heen.
  • Vandaag is opa jarig en je hebt je beste kleren aangetrokken. Je moeder geeft nog wat extra aandacht aan je haar, bekijkt je nog eens van alle kanten en geeft je een zoen op je wang.
  • Je bent gezellig buiten in de zandbak aan het spelen met een klasgenoot. Jullie hebben samen veel plezier. Je klasgenoot geeft je een zoen op je wang.
  • In het zwembad zit je op de glijbaan klaar om eraf te glijden. Achter je komt een kind (of man) dicht tegen je aan zitten.

Stel na elke situatie vragen als:

  • Vond je het prettig toen dat gebeurde of niet?
  • Wie heeft er wel eens zoiets meegemaakt? Vertel eens.
  • Wie zou er anders reageren? Laat maar eens zien. 

Doe-activiteit: Blindemannetje
Een kind is geblinddoekt, een ander kind niet. Het geblinddoekte kind krijgt opdracht het andere kind aan te raken alsof hij/zij het erg lief vindt. Daarna alsof hij/zij het een beetje aardig en vervolgens helemaal niet aardig vindt.
Praat even met de kinderen na hoe ze het vonden om de ander aan te raken en om aangeraakt te worden. Laat ook de toeschouwers reageren. Zouden zij het ook zo doen of anders? Geef nu anderen de kans.
Kinderen die niet aangeraakt willen worden, hoeven uiteraard niet mee te doen, wel als publiek.
(Uit: Relaties & seksualiteit)