Zelfvertrouwen is afhankelijk van de kijk die het kind op zichzelf heeft. We noemen dit het zelfbeeld Opbouw van het zelfbeeld 
Aan het zelfbeeld is een aantal relevante aspecten te onderscheiden. Tezamen vormen ze het algemene zelf.
- 'Wat vindt de juf van mij?' of 'Wat vinden mijn ouders van mij?' zijn vragen die horen bij het 'sociale zelfbeeld'. Hieraan gekoppeld zit een etnische dimensie. Het is belangrijk kinderen bewust de kans te geven vertrouwd te raken met en kennis te nemen van etnische/culturele elementen die passen bij het leven als allochtoon in Nederland. Het gaat dan om vragen als 'Tot welke etnische groep behoor ik?' 'Welke geschiedenis kent deze groep en wat zijn de waarden en normen van deze groep?'
- Bij het 'emotionele zelfbeeld' gaat het om vragen als 'Ben ik gelukkig?' of 'Hoe komt het dat ik somber ben?' of de mate waarin iemand zich bijvoorbeeld (on)gelukkig, (on)zeker, opgewekt of somber voelt.
- Ideeën over hoe je op school presteert vallen onder het 'cognitieve zelfbeeld'. 'Ben ik goed in sport?' of 'Wat vinden anderen ervan dat ik zo klein ben?' zijn vragen die bij het 'fysieke zelfbeeld' horen.
- Vragen als: 'Iedereen gaat skiën, waarom wij niet?' of 'Waarom wonen wij in een huurhuis en hebben we geen koophuis?' horen bij het 'materiële zelfbeeld'.
Het zelfbeeld van een kind kan negatief of positief zijn. Een kind met een negatief zelfbeeld heeft weinig zelfvertrouwen, een kind met een positief zelfbeeld toont veel zelfvertrouwen.
Als we naar het basisonderwijs kijken, dan moeten we constateren dat daar het gevaar van het ontstaan van een eenzijdig (dus onrealistisch) zelfbeeld nadrukkelijk aanwezig is. Immers traditioneel zijn rekenen en taal de belangrijkste vakken. Het kind dat bij een of beide vakken niet goed mee kan komen, krijgt niet zelden door zijn omgeving het etiket dom of zwakke leerling opgeplakt. Terwijl het nog maar de vraag is, of zo'n kind op alle terreinen weinig vorderingen maakt. Vaak krijgt het echter niet de kans dit te demonstreren. Daar komt nog bij, dat goede prestaties tijdens de gymles of op het gebied van muziek of tekenen vaak als minder belangrijk worden ervaren.
Scheefgroei van het zelfbeeld kan worden voorkomen door de kinderen in de gelegenheid te stellen de steeds verschuivende grenzen van hun kunnen op zoveel mogelijk terreinen af te tasten. Dat heeft als voorwaarde goed passend onderwijs dat rekening houdt met verschillen tussen kinderen (waaronder multi-etniciteit).
1. Waarom is zelfvertrouwen belangrijk? Weerbaar Belangrijk aspect daarbij is het gegeven dat er in de relatie leerkracht-kind of kind-kind sprake kan zijn van een fundamentele etnische ongelijkheid (dominant-minoriteit).
Zelfvertrouwen maakt kinderen weerbaar 
Bij weerbaarheid gaat het om:
- je eigen rechten en belangen kennen
- opkomen voor je eigen rechten en belangen
- met deze rechten en belangen leren omgaan in je sociale omgeving.
Het opbouwen van weerbaarheid houdt verband met:
- het leren omgaan met angst
- inzicht geven in situaties en rollen daarin
- vaardigheden ontwikkelen om je weerbaar te kunnen gedragen
- vinden van steun vanuit de eigen etnische kaders of omgaan met gebrek aan steun vanuit de eigen etnische kaders.
Bij het ontwikkelen van zelfvertrouwen dient u wel rekening te houden met de ontwikkelingsgeschiedenis van de kinderen. Het zou kunnen dat voor je eigen mening uitkomen, initiatief tonen en aan nieuwe dingen beginnen, activiteiten zijn die in de ontwikkeling van het kind niet altijd centraal hebben gestaan. Deze kinderen zullen daar meer moeite mee hebben.
2. Hoe kan ik de ontwikkeling van het zelfvertrouwen stimuleren in de praktijk?
Hieronder vindt u een aantal voorbeelden:
Probeer elk kind te laten ervaren: ik hoor er bij, ik tel ook mee Voorbeelden hiervan zijn:
Het zelfbeeld en daarmee het zelfvertrouwen van een kind wordt gunstig beïnvloed, wanneer het uit het gedrag en de woorden van anderen kan afleiden, dat het meetelt. Persoonlijke contacten tussen u en de kinderen helpen een kind bij het opbouwen van een positief zelfbeeld. Kinderen ervaren die contacten namelijk vaak als een bewijs van erbij horen (voorbeelden 
- Elke dag de kinderen aan de deur begroeten.
- Zieke kinderen bezoeken of een briefje schrijven.
- Leerlingen om hun mening vragen.
- De tijd nemen om naar kinderen te kijken en te luisteren.
- Serieus op vragen ingaan.
- Onder vier ogen een pluimpje geven.
- Werk van leerlingen tentoonstellen.
- Sarcasme vermijden.
- Laten merken, dat je een kind hebt opgemerkt.
- Herkenbaarheid klas- en schoolinrichting vergroten.
- Kinderen ruimte laten voor de eigen taal.
- Aandacht voor werk van kinderen buiten groepsverband bij terugkomst in de groep (bijvoorbeeld kinderen die Turkse of extra lessen volgen).
Geef kinderen de kans zowel hun sterke als zwakke punten te ontdekken op allerlei gebied
Niemand is overal goed in. Niemand is overal slecht in. Zo kun je goed zijn in beeldende vorming en slecht in gym. Dit hoeft overigens nog niet te betekenen dat alle aspecten van beeldende vorming je goed afgaan. Ook hoef je niet in alle onderdelen van gym slecht te zijn: trefbal kun je goed, maar vanwege je hoogtevrees kun je geen touw klimmen.
Breng veel variatie aan in het onderwijs. Variatie heeft dan betrekking op:
Voor een ontwikkeling van een positief zelfbeeld is het van belang om samen met de leerlingen na te gaan, welke varianten hen redelijk tot goed liggen en welke niet.
Met die informatie kunt u in uw onderwijs rekening houden door zodanig te variëren, dat alle leerlingen in ieder geval regelmatig aan hun trekken komen.
Maar realiseer je dat typische jongens- en meisjesactiviteiten zowel voor jongens als voor meisjes open staan.
Help de leerlingen nieuwe interesse te ontwikkelen en geef de gelegenheid bestaande interesses onder en/of na schooltijd verder uit te bouwen.
Leer kinderen de positieve kanten van zichzelf te zien en moedig ze aan die ook onder woorden te brengen Enkele voorbeelden: Overige suggesties
Ook al mislukt de poging van een kind om bijvoorbeeld een rekenvraagstuk op te lossen, dan toch is er altijd wel iets om een positieve opmerking over te maken (goede inzet, keurig geschreven, geconcentreerd gewerkt).
Op die manier leer je kinderen zelf de positieve kanten van eigen kunnen en handelen te ontdekken en onder woorden te brengen. Zo ontstaat een positief zelfbeeld (voorbeelden 
- Benadruk het goede en niet het falen. 'Je hebt vandaag 24 sommen goed. Dat is vier meer dan gisteren.' in plaats van 'Je hebt vandaag 6 fouten.'
- Moedig de kinderen aan elkaar prestaties te tonen op gebieden waar ze goed in zijn (hoeft niet per se tot zaken in de onderwijssfeer beperkt te blijven).
- Zeg niet tegen kinderen die ergens moeite mee hebben, dat de opgave gemakkelijk is. (Zeggen: 'Dat kun je best!') Beweer eerder het tegendeel en geef ze een compliment voor hun proberen.
- Benadruk in berichten naar huis (rapporten en dergelijke) en in gesprekken met ouders vooral ook de vorderingen en positieve kanten van een kind.
Stel het ontwikkelingsproces van uw kinderen primair, niet het gewenste resultaat
Het zelfvertrouwen van kinderen groeit, als zij in de spiegel die anderen hen voorhouden, zien dat ze vooruit gaan. Het zelfvertrouwen neemt af, als kinderen bij herhaling wordt voorgehouden dat het ze niet gelukt is. Dat laatste gebeurt, als we de prestaties van kinderen uitsluitend vergelijken met de normen waaraan ze (uiteindelijk) moeten voldoen. Het is daarom gewenst een andere aanpak te kiezen. Deze aanpak kan aangeduid worden met de eens-kijken-of-je-al-weer-een-stapje-verder-bent-gekomen-benadering. Deze aanpak benadrukt de vooruitgang door de huidige prestaties te vergelijken met eerder geleverde prestaties. Bij deze aanpak betekent fout niet 'Je hebt gefaald', maar 'Je moet het op een andere manier proberen' (overige suggesties 
- Besteed regelmatig aandacht aan de emotionele aspecten van het schoolwerk: 'Ben je teleurgesteld nu je het niet zo goed gedaan hebt, als je eerst dacht?'
- Kijk niet alleen naar het product, maar probeer er ook achter te komen welk proces eraan vooraf ging: 'Ik vind je tekening erg mooi. Je hebt mijn lievelingskleuren gebruikt. Vertel eens hoe je hem gemaakt hebt?'.
- Benadruk de vorderingen van kinderen die weinig zelfvertrouwen hebben, bijvoorbeeld door samen met hen een 0nder-de-knie-kaart bij te houden.
- Informeer de ouders op welke manier u het zelfvertrouwen van hun kinderen probeert te vergroten en waarom u dat doet.
- Laat de kinderen een logboek bijhouden, waar ze eens per week in opschrijven wat ze nu wel kunnen, maar vorige week nog niet.
- Geef kinderen vaker de mogelijkheid om hun werk zelf te plannen en kijk na afloop terug op het planningsproces.
Geef uw leerlingen vaak en snel zakelijke informatie over hun prestaties en vorderingen
De informatie is het meest effectief als die aan de volgende eisen voldoet:
Streef naar uitbreiding van gebieden waarvoor kinderen zelf verantwoordelijkheid dragen Voorbeeld - Richt (eventueel wisselende) werkhoeken in: boekenhoek, taalhoek, meet- en weeghoek, ontdekhoek, drukhoek (voor het drukken van eigen teksten); Organiseer je onderwijs op een manier die in toenemende mate een beroep doet op de zelfstandigheid en zelfverantwoordelijkheid van kinderen door steeds minder zelf alles te regelen of door zaken op een andere manier te regelen:
Als kinderen geen beslissingsbevoegdheden krijgen, leren ze ook niet vertrouwen op zichzelf. Ze leren zich niet verantwoordelijk te voelen voor hun eigen doen en laten. Je moet hierbij wel oppassen dat je kinderen geen verantwoordelijkheden geeft, die ze (nog) niet aankunnen. Kinderen zijn echter tot meer in staat dan we vermoeden (voorbeeld 
- Richt het klaslokaal in op een manier die het zelfstandig handelen van kinderen stimuleert:
- Gebruik toegankelijke kasten met een duidelijke vermelding van de inhoud op de buitenkant;
- Maak veel gebruik van zelfcontrolerend materiaal, werkbladen, cassetterecorders met hoofdtelefoon en andere materialen waarmee kinderen zelfstandig kunnen werken;
- Maak gebruik van 'leerhulpen' waarmee kinderen zelf aan de slag kunnen, zoals een 'zoekhulp' voor kinderen die gebruik maken van het documentatiecentrum of tafelkaartjes waarmee twee kinderen de tafels van vermenigvuldiging kunnen oefenen (op de voorzijde: 4 x 3 =, en op de achterzijde het antwoord);
- Leer kinderen omgaan met atlas, telefoonboek, catalogi, woordenboek, encyclopedie, computer.
- Kinderen kunnen - met enige begeleiding - vaak heel goed zelf bepalen in welke volgorde ze het dagprogramma zullen afwerken.
- Sluit leercontracten met kinderen, waarin de leeractiviteit, de te leveren prestatie, de beschikbare tijd en het te gebruiken materiaal zijn vastgelegd.
- Laat kinderen met elkaar het onderwerp of thema van een wereldoriëntatie project kiezen.
- Laat kinderen gedurende enige tijd verantwoordelijkheid dragen voor de uitvoering van een corveetaak (schoolbord, planten, schoolmelk) of voor de aankleding van een gedeelte van het klasseninterieur (plantenhoek, hobbyhoek, prikbord).
- Geef kinderen de beschikking over tijd die ze, binnen aangegeven grenzen, zelf mogen invullen.
Leer kinderen, hoe ze op een zelfbewuste manier in allerlei situaties op kunnen treden
Leer kinderen:
Dit soort dingen leren mensen vaak pas na vallen en opstaan. Sommige mensen leren het nooit. Zij voelen zich daardoor onzeker in allerlei situaties met als resultaat: een kwetsbare of juist een zeer agressieve opstelling. Veel negatieve ervaringen zijn er het gevolg van.
3. Welke ontwikkeling maken kinderen door en wat zijn zinvolle Tussendoelen Leerlijn
tussendoelen 
Tussendoelen zijn onderwijsdoelen voor een bepaalde leeftijdsgroep, die samen met de tussendoelen voor de andere leeftijdsgroepen een samenhangende leerlijn vormen.
Voor de diverse leeftijdsgroepen groep 1-2, groep 3-4, groep 5-6 en groep 7-8 geven we hier een korte schets van de ontwikkeling van kinderen: ontwikkeling/rijping, kritische momenten in de ontwikkeling, risico's.
Zowel de gesignaleerde kansen als de risico's zijn indicaties voor de wenselijkheid om de betreffende aspecten een plaats te geven in het onderwijsprogramma (bijvoorbeeld door het op te nemen in een leerlijn). 
Een leerlijn is een reeks van samenhangende doelen voor de diverse leeftijdsgroepen.
De ontwikkelschetsen zijn in feite profielschetsen van het gemiddelde van een bepaalde leeftijdsgroep. In de praktijk vragen deze profielschetsen om nadere invulling en differentiatie, omdat kinderen nu eenmaal grote verschillen vertonen: rijping, leeftijd, milieu. Naarmate de kinderen ouder worden, zien we deze verschillen vaak toenemen.
Door de ontwikkeling van de kinderen op dit terrein goed te volgen, bijvoorbeeld met een leerlingvolgsysteem (zie Bronnen), krijgt u de specifieke informatie die de eigen situatie in beeld brengt.
4. Hoe kan ik in de les aandacht besteden aan het bevorderen van het zelfvertrouwen en de sociale weerbaarheid?
Opmerking vooraf
In de lessuggesties wordt vaak een beroep gedaan op de luister- en spreekvaardigheid van kinderen. De lessuggesties hebben dan ook een directe en sterke relatie met taalontwikkeling en taalverwerving (Tips voor taalverwerving kijk op "Werken aan": Inleven in de ander, paragraaf 1.).
Lessuggesties voor: